Blog 004, Kawahara Keiga

Blogpost 004 – De unieke positie van Nagasaki als internationale handelsstad

Nagasaki als internationale handelsstad

Als je kijkt naar het kamerscherm van Keiga valt het direct op dat Nagasaki een echte havenstad is. De baai van Nagasaki is gevuld met een grote verscheidenheid aan schepen, zowel Japanse als buitenlandse.

Minimale aanwezigheid van buitenlandse schepen

Een Nederlands schip ligt prominent voor anker, niet ver van de kust. Verderop, recht tegenover Deshima, liggen twee Chinese schepen in de baai. Maar vergeleken met andere internationale havensteden zoals bijvoorbeeld Londen, Kanton (huidig Guangzhou), Amsterdam en Antwerpen, was deze aanwezigheid van buitenlandse schepen minimaal. Toch was dit voor Japan een bijzonder gezicht. Tijdens een groot deel van de Edo-periode (1600-1868) voerde Japan een isolatiepolitiek die overzeese handel sterk beperkte.  Nagasaki was een uitzondering op de regel. In deze stad was internationale handel in beperkte mate toegestaan. 

Buitenlandse schepen, Kawahara keiga
Een Nederlands schip en twee Chinese schepen voor anker in de baai van Nagasaki. Ook zijn vier kleinere Japanse schepen te zien, waarvan het schip met het wit-zwarte zeil een verkenningsscheepje van de lokale Tokugawa overheid was. (detail van Keiga kamerscherm, RV-7141-1)
1. Deze tekst is gebaseerd op eigen onderzoek en onder andere de volgende artikelen: T. Kazui & S. D. Videen (1982), ‘Foreign Relations during the Edo Period: Sakoku Reexamined, The Journal of Japanese Studies 8 (2), pp. 283-306; L. Cullen (2017), ‘The Nagasaki Trade of the Tokugawa Era: Archives, Statistics and Management’, Japan Review: Journal of the International Research Center for Japanese Studies 31, pp. 69-104. 

De ‘isolatie’ van Japan (Jp. sakoku), c.1639 - 1854

Er zijn twee hoofdredenen geweest voor de invoering van de isolatiepolitiek. Ten eerste wilde de Japanse overheid het land beschermen tegen Westerse (christelijke) invloeden. Die overheid werd geleid door een shogun, bekleder van het hoogste militaire ambt. Dat overerfbare ambt werd doorgegeven binnen de Tokugawa-clan. Toen de Tokugawa vanaf 1600 hun macht consolideerden, vreesden ze voor de loyaliteit van christelijke onderdanen. Zij waren een potentieel gevaar voor opstanden omdat hun loyaliteit bij buitenlandse machten kon liggen in plaats van bij de shogun en zijn militaire regering. De Portugezen die vanaf 1543 in Japan handelden en iets later (katholiek) missiewerk verrichten, werden in 1639 verbannen. De (protestantse) Nederlanders, die zich primair op de handel richten en geen religieuze boodschap brachten, bleven vanaf dat moment als enige Europeanen over.

De tweede reden was de bescherming van de Japanse economie. Om te voorkomen dat buitenlandse machten de Japanse markt zouden doen overstromen met goederen, werden beperkingen opgelegd aan het aantal schepen dat per jaar naar Japan mocht komen. Tevens mochten Japanse onderdanen het land niet meer verlaten. Hiertegen werd actief beleid gevoerd. Zo werden bijvoorbeeld regels gesteld aan de bouw van schepen zodat ze niet de oceaan op konden. Japanners die toch te ver weg gingen en arriveerden in andere landen, zelfs per ongeluk, mochten niet terugkeren naar Japan. Daarnaast werd ook de export van belangrijke grondstoffen voor de eigen economie (zoals koper en zilver) aan banden gelegd, zodat het land niet zou leeglopen. 
 

fumi
Om de verspreiding van het christendom tegen te gaan moesten de inwoners van Nagasaki en omringende gebieden elk jaar met Nieuwjaar op een afbeelding van Jezus en/of de maagd Maria trappen om te bewijzen dat ze niet christelijk waren. Deze (doorgaans bronzen) trapplaten werden “fumi-e” genoemd. (RV-2984-5)

De landen die wél mochten handelen met Japan

Het resultaat was dat vier landen overbleven die contact mochten hebben met Japan: Korea, de Ryūkyū-eilanden (toen een koninkrijk, tegenwoordig de Japanse provincie Okinawa), China en Nederland. Korea was het enige land waarmee Japan officiële diplomatieke betrekkingen onderhield. Met enige regelmaat werden er ambassades uitgewisseld. De handel met Korea verliep via de heer van het Japanse eiland Tsushima, dat tussen Japan en Korea ligt. De Ryūkyū-eilanden hadden een unieke situatie omdat dit land zowel een vazal van China als van Japan was. Japan handelde via deze eilandengroep met verscheidene andere Aziatische landen, met name China (in dit geval indirect).

Voor China en Nederland waren de handelsomstandigheden binnen Nagasaki enigszins vergelijkbaar. Beide landen hadden officieel geen diplomatieke banden met Japan. Met China verliep het contact via Chinese handelaren, met Nederland verliep het contact via de V.O.C.. In Nagasaki waren ze aan hun respectievelijke handelsposten gebonden. Voor de Chinezen was dat de wijk Tōjin yashiki (geheel links op het kamerscherm) en voor de Nederlanders het eilandje Deshima. De Nederlanders en Chinezen waren vrijwel constant opgesloten in hun handelsposten. Een verschil was wel dat er jaarlijks veel meer Chinese schepen dan Nederlandse schepen naar Nagasaki mochten komen om te handelen.

Er was wel een overeenkomst tussen de handel met deze vier landen. Alle buitenlandse handel vond ver weg plaats van de drie voornaamste steden Edo, Kyoto en Osaka. Japan was dus niet helemaal geïsoleerd, maar het contact met de buitenwereld gebeurde ver weg van de bestuurlijk en economische kern. De relatief kleine stad Nagasaki had daarmee binnen Japan toch een unieke positie als locatie van verschillende internationale contacten. Het resultaat was dat er toch een mate van culturele vermenging plaatsvond in die stad. Japanse, Chinese en Europese kunststijlen, literatuur en wetenschap werden hier uitgewisseld, bestudeerd en geadapteerd. Het Japanse kamerscherm dat door Keiga met gebruikmaking van Westers perspectief werd geschilderd, had in feite niet kunnen bestaan zonder de bijzondere situatie in deze havenstad.
 

Buitenlanders in Nagasaki
Een zogenaamde 'Nagasaki prent', begin 19e eeuw, met daarop vijf buitenlanders afgebeeld. Van rechts naar links zijn te zien een Chinees, een Koreaan, een Nederlander, een inwoner van de Ryūkyūs, en een Rus. Japan had geen directe handelsrelaties met de Rusland, maar Russen kwamen in de 19de eeuw steeds vaker in Japanse wateren. (RV-5824-11)